Prinsjesdag 2018 – de belastingwijzigingen op een rij

Op 18 september was het Prinsjesdag 2018. Een dag vol tradities, zoals de troonrede van de Koning, de aanbieding van de Miljoenennota en de rijksbegroting door de minister van Financiën. Wat is er dinsdag verteld? Wij hebben de belangrijkste belastingwijzigingen op een rijtje gezet. 

bron: Rendement


Belastingstelsel: terug naar twee schijven

Het kabinet heeft flinke veranderingen in petto voor de inkomstenbelasting. Vanaf 2021 zijn er nog maar twee belastingschijven over, terwijl dat er nu nog vier zijn. De ombouwoperatie moet werken lonender maken. Volgend jaar dalen de meeste tarieven al. In 2021 wordt de heffing van de inkomstenbelasting stukken overzichtelijker. Voor inkomens onder de € 68.507 geldt het basistarief van 37,05%. Inkomens boven die grens vallen in het toptarief van 49,5%. Volgend jaar slaat het kabinet al het pad in om de tarieven naar elkaar toe te laten groeien. De tarieven in de tweede, derde en vierde schijf dalen.

Beginpunt voor toptarief wordt bevroren

Werkende Nederlanders die nu nog in de tweede, derde en vierde schijf vallen, zouden door het tweeschijvenstelsel meer over moeten houden in de portemonnee. Het opschroeven van de algemene heffingskortingen moet daar de komende jaren aan bijdragen.
Wel wordt het beginpunt van de hoogste schijf deze kabinetsperiode niet opgehoogd. Dit beginpunt blijft dus tot en met 2021 op € 68.507 staan.


Lage BTW-tarief van 6% gaat omhoog naar 9%

Het kabinet wil het lage BTW-tarief van 6% per 1 januari 2019 verhogen naar 9% zo blijkt uit het Belastingplan 2019. Op die manier komt er ruimte om de belastingen op inkomen te verlagen. Het belasten van consumptie is namelijk stabieler en heeft minder verstorende effecten dan de belasting op arbeid.

Om de uitvoering van het fiscale stelsel dat in 2019 moet ingaan te realiseren, wordt onder andere het lage BTW-percentage van 6% verhoogd naar 9%. Dit blijkt uit het Belastingplan 2019. Goederen en diensten worden dus duurder voor particuliere consumenten. Onder deze goederen en diensten vallen onder andere voedingsmiddelen, water, agrarische goederen, geneesmiddelen, kunst en boeken. Daarnaast vallen de volgende diensten onder dit nieuwe 9% BTW-tarief:

    • reparatie van fietsen, schoenen en kleding;
    • diensten van kappers;
    • werkzaamheden aan woningen;
    • cultuur en recreatie;
    • sport, waaronder zwembaden en sauna’s.
Pas boekhoudsysteem ook voor 1 januari 2019 aan

Voor organisaties die recht hebben op BTW-aftrek heeft de BTW-verhoging geen effect. Zij kunnen deze BTW aftrekken. Wel moeten organisaties zich nu al voorbereiden op de tariefsverhoging: boekhoudsystemen moeten tijdig worden aangepast en ook is het oppassen geblazen bij facturatie en BTW-aangifte bij de jaarovergang. Als diensten pas na 1 januari 2019 worden geleverd, maar al vóór die datum worden vooruitbetaald, moeten organisaties bijvoorbeeld alsnog 3% BTW factureren .


Box 3-heffing 2019 weer wat dichter bij werkelijkheid

Ieder jaar wordt het percentage voor het forfaitair rendement voor box 3 door de staatssecretaris van Financiën bekendgemaakt. Voor 2019 gaat voor rendementsklasse I een percentage van 0,13 gelden en voor rendementsklasse II 5,6%.

In het Belastingplan 2018 was al aangegeven dat met ingang van 2018 voor de bepaling van het forfaitaire rendement op sparen dichter bij het actuele gemiddelde werkelijke rendement moest worden aangesloten. Voor 2019 is het gemiddelde spaarrendement in de periode juli 2017 tot en met juni 2018 bepalend. De spaarrente is in die periode ten aanzien van de periode ervoor weer flink gedaald.

Percentage langetermijnrendement 5,6%

Het rendement voor sparen voor 2019 wordt 0,13%. Het langetermijnrendement voor beleggingen voor 2019 komt uit op 5,60%. Het heffingsvrije vermogen bedraagt € 30.000 per persoon.


Modernisering kleineondernemersregeling (KOR) in aantocht

In het wetsvoorstel Wet modernisering kleineondernemersregeling uit het Belastingplan 2019 wordt voorgesteld de KOR flink aan te passen. Het doel van de aanpassing is de administratieve lasten van kleine ondernemers te beperken door de introductie van een vereenvoudigde vrijstellingsregeling.
Het kabinet wil kleine ondernemers stimuleren en ondersteunen en de administratieve lasten voor hen verminderen. Daarom is besloten de huidige KOR die voor de BTW geldt aan te gaan pakken. Het is de bedoeling dat vanaf 2020 de omzet bepalend zal zijn voor de (eventuele) toepassing van de KOR. Het wetsvoorstel gaat uit van een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze grens blijven, zijn geen BTW verschuldigd en hoeven geen BTW-aangifte te doen. Dat vermindert de administratieve verplichtingen . Het omzetcriterium wordt in bijna alle andere EU-landen toegepast. Het bedrag van de omzet is in iedere lidstaat echter wel anders.

Van BTW-belast naar BTW-vrijgesteld ondernemen

Ondernemers die voor toepassing van deze nieuwe facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van de BTW kiezen, veranderen dus van een BTW-belaste ondernemer in een BTW-vrijgestelde ondernemer. Het gaat dan om het leveren van goederen en diensten in Nederland én intracommunautaire leveringen vanuit Nederland. Daar staat tegenover dat bij de keuze voor de ‘nieuwe KOR’ de BTW die anderen in rekening hebben gebracht niet aftrekbaar zijn.

Huidige KOR gaat uit van het verschuldigde BTW-bedrag

De huidige KOR is een regeling voor natuurlijke personen die ondernemer zijn en die per jaar niet meer dan € 1.883 aan BTW verschuldigd zijn. Door deze regeling hoeven zij geen of minder BTW af te dragen als zij onder bepaalde BTW-grenzen blijven. Ook kunnen zij in aanmerking komen voor een ontheffing van de administratieve verplichtingen. Als een ondernemer in aanmerking wil komen voor de KOR moet hij in Nederland zijn gevestigd, aan de factureringsverplichtingen voldoen en een boekhouding bijhouden.


Iets minder pijn voor dga in box 2

Het kabinet verzacht de komende jaren enigszins de pijn voor directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) en andere houders van een aanmerkelijk belang. Het tarief in box 2 stijgt de komende jaren namelijk naar 26,9% in plaats van naar 28,5%.

Een houder van een aanmerkelijk belang heeft een belang van 5% of meer in een vennootschap. Hij betaalt belasting over het inkomen uit dit aanmerkelijk belang in box 2. Op de maatregel uit het regeerakkoord om het tarief in box 2 flink op te trekken kwam flinke kritiek uit ondernemershoek. Volgens het kabinet is die correctie nodig, omdat de bv anders véél te aantrekkelijk zou worden in vergelijking met een onderneming voor de inkomstenbelasting.

Stijging tarief box 2 vanaf 2020

Die redenering staat ook in het Belastingplan 2019, maar het kabinet wil de maatregel ‘verzachten’ en het mkb ‘tegemoet komen’. Volgens het kabinet blijft er door de aanpassing in het tarief in box 2 nu een ‘globaal evenwicht’ tussen dga en IB-ondernemer. Het rijtje tarieven komt er nu zo uit te zien:
• 2018: 25%
• 2019: 25%
• 2020: 26,25%
• 2021: 26,9%


Bijtelling duurdere elektrische auto naar 22%

Per 1 januari 2019 gaat de bijtelling van 22% ook gelden voor elektrische auto’s met een catalogusprijs van meer dan € 50.000. Organisaties krijgen volgend jaar dus te maken met een bijtelling van 4% voor elektrische auto’s tot € 50.000 en 22% voor duurdere elektrische auto’s voor zover de grondslag boven de € 50.000 uitkomt.

Er gelden momenteel twee bijtellingscategorieën voor de auto van de zaak. Alle auto’s die 100% elektrisch rijden vallen dit jaar in de bijtellingscategorie van 4%. Alle auto’s met 1 gram of meer uitstoot per gereden kilometer vallen in de bijtellingscategorie van 22%. Vanaf 1 januari 2019 vindt er een aanpassing plaats voor elektrische auto’s met een catalogusprijs van meer dan € 50.000. De 4%-bijtelling geldt dan namelijk nog maar voor elektrische auto’s tot € 50.000. Daarboven moet een organisatie rekening gaan houden met een percentage van 22% voor duurdere auto’s. Stel dat de grondslag voor de bijtelling € 80.000 bedraagt, dan geldt er een bijtelling van 4% voor de eerste € 50.000 en 22% voor het meerdere (€ 30.000).

Aanpassing bijtelling per 2021

Vanaf 2021 gaat ook voor elektrische auto’s gelden dat over de gehele cataloguswaarde 22% bijtelling verschuldigd is. Eigenaren van een elektrische auto hebben dan dus geen fiscaal voordeel meer van hun auto.


Toptarief VPB zakt minder hard dan gedacht

Het kabinet zet de komende jaren het mes in de tarieven voor de vennootschapsbelasting (VPB). Al gaat de daling van het toptarief wel minder ver dan in het regeerakkoord was beloofd.
Dat ondernemingen minder belasting hoeven af te tikken over hun winsten, had het kabinet bij het regeerakkoord al aangekondigd. De tarieven voor VPB staan nu nog op 20% voor winsten tot aan € 200.000 en op 25% daarboven. Het lage tarief daalt de komende jaren naar 16%, zoals ‘de bedoeling’ was.

Toptarief VPB terug naar 22,25%

Maar de beloofde daling van het toptarief komt er niet helemaal, zo blijkt uit de Prinsjesdag-stukken. Uiteindelijk zakt het hoogste tarief terug tot 22,25%, in plaats van de 21% waar het regeerakkoord nog over repte. Hoe de percentages de komende jaren dalen, ziet u in de onderstaande tabel. De tariefsverlaging pakt volgens het kabinet op deze manier het voordeligst uit voor het mkb, aangezien volgens de Miljoenennota slechts 5% van de mkb’ers in de hoogste VPB-tarief valt. En hoewel de verlaging van het toptarief minder hard gaat dan gedacht, komt Nederland wel ‘rond het EU-gemiddelde’ uit met het nieuwe tarief.


Standaard 7% bijtelling bij ter beschikking gestelde fiets

Het kabinet wil zakelijk fietsen aantrekkelijker maken. Daarom komt er in plaats van de ingewikkelde regels voor het belasten van de waarde van privégebruik een forfaitaire bijtelling van 7% van de nieuwwaarde van de fiets. Er zijn al fiscale regels om woon-werkverkeer per fiets te stimuleren. Werkgevers kunnen hun werknemers een lening geven voor de aanschaf van een (elektrische) fiets, die de werknemer kan terugbetalen vanuit zijn belastingvrije vergoeding van € 0,19 per zakelijke kilometer. Omdat elektrische fietsen nogal duur zijn, wordt deze mogelijkheid in de praktijk daar amper voor gebruikt.

Bijtelling privévoordeel fiets wordt 7%

Bij het ter beschikking stellen van een (elektrische) fiets – waarbij de werkgever eigenaar blijft van het vervoermiddel – moet hij nu de waarde van het privégebruik bepalen en die als loon in natura bij de werknemer belasten. Om deze administratieve rompslomp weg te nemen, is het plan om per 1 januari 2020 de waarde van het privévoordeel van de fiets van de zaak standaard vast te stellen op 7% van de nieuwwaarde van de betreffende fiets. Zo sluiten de regels aan op die van een auto van de zaak.

Fiets beschikbaar voor woon-werkverkeer?

De bijtelling gaat in elk geval gelden als de werknemer de ter beschikking gestelde fiets voor zijn woon-werkverkeer kan gebruiken. Het doet er niet toe of dat voor het volledige woon-werkverkeer is of een gedeelte ervan. Ook maakt het niet uit wat voor soort fiets de werknemer ter beschikking gesteld heeft gekregen. Voor een stadsfiets, bakfiets, elektrische fiets en een zogenoemde speed pedelec met elektrische trapondersteuning gaat allemaal hetzelfde bijtellingstarief van 7% van de aanschafprijs gelden.


Monumentenaftrek wordt een subsidieregeling

De fiscale aftrek voor onderhoud van particuliere rijksmonumentenpanden in de inkomstenbelasting wordt per 2019 omgezet in een subsidieregeling. De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.


Afschrijving op gebouw voor ondernemers beperkt

Ondernemers voor de vennootschapsbelasting zien vanaf volgend jaar de afschrijvingsmogelijkheden afkalven. Op een gebouw dat zij in eigendom hebben, mogen zij dan nog maar tot 100% van de WOZ-waarde afschrijven. Nu mag dat nog tot 50%.
Volgens het Belastingplan 2019 maakt deze maatregel het verschil tussen de boekwaarde en de toekomstige verkoopwaarde van een pand kleiner. Volgens het kabinet is daardoor de belastbare boekwinst bij de verkoop van het gebouw kleiner.

Bodemwaarde pand maatgevend voor afschrijving

In de vennootschapsbelasting schrijven ondernemingen panden en bijbehorende zaken af over de periode van de levensduur. Vaak is dat dertig jaar. Hierbij moet er allereerst rekening worden gehouden met de restwaarde. Over het verschil tussen de aanschafwaarde en de restwaarde kan worden afgeschreven.
Bij het afschrijven van panden moet een ondernemer ook rekening houden met de bodemwaarde. Deze bedraagt nu nog 50% van de WOZ-waarde bij een pand in eigen gebruik en 100% van de WOZ-waarde bij een beleggingspand. Dat wordt dus ook 100% voor het eigen pand.


Maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding verhoogd naar € 1.700

Per 1 januari 2019 gaat de onbelaste vrijwilligersvergoeding met € 200 omhoog. Vrijwilligers kunnen daardoor een maximale onbelaste vergoeding krijgen van € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar.

Vrijwilligers kunnen op dit moment een maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding krijgen van € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar. Over deze vergoeding zijn geen belasting en premies verschuldigd. Vanwege het grote maatschappelijke belang van vrijwilligerswerk heeft het kabinet besloten om de onbelaste vrijwilligersvergoeding per 1 januari 2019 te verhogen naar € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*